Harlingen hoog verheven,

Hoe fraay staat gy ten toon;

Matroosjes die ‘er zweven,

Al over de straaten schoon,

Al met een mooy Meisje abondant,

Die nemen zy al by der hand,

En drinken met playzier,

Gestadig wyn en bier.

Dan gaan zy braveeren,

Al met een Venus dier,

Haar jaar geld zoo verteeren,

Zy agten ’t voor playzier,

Maar als de winter is gedaan:

Zoo meugje wel weer na Zee toe gaan,

Dan is het adieu myn vrind,

Siet dat gy weer wat wind.

De Heer wil u geleiden,

Al op de Zee rebel,

Wy moeten immers scheiden,

Maar houd u altyd wel:

Siet dat gy u zinnen niet en slaat,

Op Autzeefze Meisjes quaat,

Maar denkt altyd op myn,

Wie dat u Bruid zal zyn.

Als de schuit zou afvaren,

Was daar een groote loop:

Als toen zag men vergaren,

Veel Meisjes overhoop,

Dan is ’t vaar wel myn vrind:

Ia ja zeid hy ‘er myn zoete kind,

Dat gunt ‘er ons God de Heer,

Dat ik ‘er mag komen weer.

De laatste uuren stonden,

die waren alzoo zoet,

Dat wy niet scheiden konden:

den een al van zyn bloed,

Den ander al van zyn vrouw en kind,

de derde was op zyn Liefje verblind,

Het was ‘er een groot hertzeer,

Om zoo te scheiden weer.

De mans quam aangetreden,

Elk met zyn Wyf

hoort aan,

’t Was niet als zoetigheden

Voor de Schuit bleven zy staan,

Met veele zug[j]es en getraan,

Og! og! hoe zal ’t met ons vergaan:

Ik wens u goede nagt,

Neemt myn woort wel in agt

En gy gaat vrolyk heenen,

En ik blyf in den nood,

Met zugten ende weenen:

Arbeiden om een stuk brood,

Eylaci! hier in dese nood

Al heb ik kleederen geld nog brood:

Het kind schreid om de vaar,

Het maakt ‘er een groot misbaar

Of dat eens quam te beuren,

dat ik niet weer en quam,

dan zou ik eeuwig treuren,

Mits dat ik het vernam,

Ag! ag! dan kander geen meerder pyn,

Voor de Harlinger Meisjes zyn,

Al misje een Bootsgezel,

De Hoertjes weten t zoo wel

Myn Man gaat vrolyk heenen,

En ik blyf in den nood:

Met zugten ende weenen,

Arbeiden om een stuk brood:

Maar als zy komen in ’t Vaderland

Zy nemen de Borrel al in de hand,

Het hoedjen al op een zy,

De Vrouw wel honger ly

Oorlof gy gasten zamen,

Matroosjes jonk en oud?

Gy Stuurluiden bequamen,

dit Lied dog wel onthoud

Hy die dit nieuw Lied heeft gedigt,

Het was een quant zyn hooft was ligt,

Ik wens ‘er u goeden nagt,

Neemt myn woort wel in agt.

 

Bron: Anoniem, ‘Afscheids Lied, tusschen de Matroosjes en de Harlinger Meisjes’ in Weduwe Jacobus van Egmont, Het vermakelyk Bagyn-hof od den Hollandsche Edelman, Verciert met de Nieuwste Brabandze en Hollandze Oorlogs-Liedjes, vryagie en Minnen-Liederen, Zoldaaten en Matroozen Gezangen. Alle op de Nieuweste Vuizen en Nieuweste melodie, die in geen Lied-boeken te vinden zyn als dit (Amsterdam 1739)