vos_026verz01ill0108O jonge jeugt blyhertig;

Aensiet mijn droefheyd smertig,

Jk ben geraekt in ongeval,

Dat mijn jonk leven kosten sal,

Spiegelt u algelijken,

Armen so wel als rijken,

Jn dit bedroefde aerdse dal.

Jk heb mijn jonge leven;

tot veel boosheyd begeeven,

Mijn Ouders heb ik niet geagt,

mijn vriende en mijn goet geslagt,

Jk wou van haer niet leeren,

Jk dee na mijn begeeren,

dat heeft my in ’t verdriet gebragt.

Al in mijn jonge jaren,

Kom ik in het beswaren,

Jn een bordeel ben ik gegaen;

daer ik seer yslijk heb misdaen,

Jk heb mijn selfs gewroken,

een schepsel Gods gebroke,

daerom sal ik nu loon ontfaen.

Jk heb dat feyt bedreven,

het sal koste mijn leven,

maer ik sal lijden met gedult

Beken het is mijn eyge schult,

Wille my maer de Heeren,

een kist en graf vereeren

Soo is mijn beed aen haer vervuld.

Gelijk een Roos in ’t bloeije,

also stont ik te groeijen:

Maer ik word van de stam gerukt,

En in mijn jonge jeugt geplukt;

O wereld schoon voor oogen!

hoe hebt gy mijn bedrogen;

en voor mijn tijd in ’t Graf gedrukt.

Wat heeft mijn trouwe Moeder,

Geweest eenen behoeder,

Voor mijn doen ik was jong en teer,

Eer zy my heeft gebragt so veer,

Jk sterf nu met schande,

Door een Scherp-Regters hande,

Denkt wat is dit een groot hertseer.

Nu sal men mijn vernielen,

Daer ik voor ’t zwaert moet knielen,

Jk die voor dese was bemind,

als ’t alderliefste moeders kind,

Niemant kan hem beroemen

Waertoe dat hy sal komen,

Gelijk men nu aen mijn bevind.

Mijn Suster hoog gepresen,

Jk ben nu al verwesen;

Gy mogt wel weer na huys toe gaen,

en trekken waer gy quam van daen,

Mijn droefheyd en mijn lijden,

dat kan u niet verblijden,

Jk moet voor de Scherp regter staen.

Segt mijn beminde Moeder,

Mijn suster en mijn Broeder,

Mijn Vrienden en mijn goet geslagt;

Hondertmael duysent goede nagt,

En dat zy my vergeve,

mijn onbehoorlijk leven,

Want dat is nu ten eynd gebragt.

Nu zijn helaes vergangen,

mijn roodblosende wangen,

Mijn stemme en mijn soete tael,

klinkende als een Nagtegael,

mijn dansse en mijn springen,

vergankelijke dingen,

zijn nu geworden altemael.

O God Vader hier bove,

al word ik nu verschove,

van al het Menselijk geslagt,

En op den slagtbank hier gebragt,

Gy kunt mijn wel vergeve,

Mijn onbehoorlijk leven,

want anders ik geen troost verwagt.

Adieu nu schoon beperelt,

bedriegelijke werelt,

Gy die so menig mens verleyt

Van u soo neem ik mijn afscheyt,

gy die bent schoon voor oogen;

hoe hebt gy mijn bedrogen,

Gelijk gy veel hebt verleyd.

 

Bron: Verzameling volks- en straatliedjes (collectie Nijhoff)(ca. 1650-1750)–Pieter de Vos